Sinds mijn FFS ligt mijn transitie stil. Dat klinkt vreemd, want die operatie was net een van de grootste stappen die ik tot nu toe gezet heb. Ze was zwaar, lichamelijk en mentaal. Ik had er lang naartoe geleefd. En toch lijkt het alsof ik daarna ergens ben blijven hangen. Ik weet niet goed waarom. Of misschien wil ik het niet helemaal weten.
Daarnet zette ik stiekem even mijn pruik op. Ik had me geschoren, gezichtscrème opgedaan, en toen kwam die pruik. Mijn eerste gevoel was heel duidelijk. Heel even was daar gewoon opluchting. Maar toen keek ik beter in de spiegel en zag ik opnieuw wat ik op zulke momenten zo vrees te zien: een man met een pruik. Mijn maag versteende.
Dat moment maakt het moeilijk om mezelf wijs te maken dat ik dit allemaal eigenlijk niet wil. Want die eerste reactie was er ook. Het verlangen is er dus nog. Misschien is de moeilijkere waarheid dat ik niet zozeer bang ben om Britt te zijn, maar om zichtbaar een transvrouw te zijn. En dat verschil begint steeds belangrijker te voelen.
De sociale consequenties kun je niet onder narcose afhandelen.
Ik ben bang voor wat er verandert wanneer mijn transitie echt zichtbaar wordt. Voor hoe mensen naar mij zullen kijken. Voor het verlies van de vanzelfsprekendheid waarmee ik nu door de wereld beweeg.
En vooral voor mijn gezin. Het moeilijkste is misschien niet eens dat mijn gezin kan veranderen, maar dat ik het gevoel heb dat ík degene ben die die verandering veroorzaakt. Mijn kinderen blijven mijn kinderen. Mijn relatie, onze geschiedenis, ons gezin verdwijnen niet plots. En toch ben ik bang voor iets veel subtielers: dat hun blik op mij verandert. Hoe is het wanneer Britt niet meer af en toe verschijnt, maar gewoon degene is die ’s morgens aan de ontbijttafel zit?
Ik wil mezelf kunnen zijn. Maar tegelijkertijd wil ik dat er zo weinig mogelijk verandert.
Misschien probeer ik dus iets te behouden wat niet helemaal te behouden valt: veranderen zonder dat er iets verandert. En daar zit ook schuldgevoel in. Want wat als mijn vrijheid om mezelf te worden betaald wordt met het verlies van een stukje vanzelfsprekendheid voor de mensen van wie ik hou? Wat als mijn kinderen zich moeten verantwoorden, vragen krijgen, zich bekeken voelen? Wat als ons gezin plots door anderen anders wordt gezien?
Ik merk hoe snel mijn hoofd al die mogelijke gevolgen invult voordat ze überhaupt gebeurd zijn. Hoeveel van mijn uitstel is werkelijk bezorgdheid om mijn gezin, en hoeveel gebruik ik mijn gezin als een veilige reden om mijn eigen angst niet onder ogen te hoeven zien? Zolang ik niet helemaal doorga, blijft alles min of meer op zijn plaats. Ik hoef Britt niet op te geven, maar ik hoef ook nog niet volledig te ontdekken wat haar aanwezigheid verandert.
Het is een comfortabele tussenruimte. En tegelijk helemaal niet.
Daarbovenop merk ik hoeveel het maatschappelijke beeld van transmensen zich in mijn hoofd heeft genesteld. Ik lees te vaak reacties op sociale media. Reacties waarin transmensen worden voorgesteld alsof ze iets vragen van de rest van de wereld. Alsof hun bestaan een discussiepunt is. Alsof gezien en gerespecteerd worden iets is waarvoor eerst toestemming moet worden gegeven.
Soms merk ik dat ik dat beeld zelf begin over te nemen. Alsof mezelf mogen zijn een gunst is. Misschien is dat wel een van de lelijkste kanten van geïnternaliseerde transfobie: dat je op den duur niet meer alleen bang bent voor het oordeel van anderen, maar dat je dat oordeel zelf begint uit te spreken.
Zelfs wanneer je alleen voor de spiegel staat.
Want toen ik daarnet dacht: man met een pruik — was dat werkelijk alleen mijn blik? Of keek er ondertussen een heel denkbeeldig commentaarvak met me mee? Hoeveel van wat ik in de spiegel zie, zie ik werkelijk zelf — en hoeveel heb ik geleerd te zien door de ogen van mensen die mij liever niet zouden zien?
Misschien is dat precies waar ik nu zit. Niet bij de vraag of ik nog verder wil. Maar bij de vraag wat mij tegenhoudt wanneer ik het wil.